Lichtgeel, paars en blauw
alle kleuren straalt de zon
op het wit van sneeuw
woensdag 23 januari 2013
dinsdag 8 januari 2013
maandag 31 december 2012
emigreren
Mijn mond vormt zich in nieuwe standen. Ik probeer vreemde, maar mooie klanken te maken. Het
klinkt nog niet zo als ik wil. Hoe kan het ook. Ik ben hier pas twee weken. Toch
lacht ze, en zegt wat terug, de vrouw van de winkel.
Ze wijst naar brood, olijven en
sardines in blik. Ze spreekt de woorden
langzaam uit en ik doe haar na. Ik geloof dat ze me al verstaat.
De veerboot vordert;
reeds wordt mijn eigen oever
de andere oever.
haiku van Pauline Regensburg-Burck
gepubliceerd in Vuursteen, tijdschrift voor haiku, senryu en tanka, Winter 2012, p.118
vrijdag 21 december 2012
zondag 16 december 2012
maandag 10 december 2012
De haas
Door de
ruiten van tuindeuren zien we sneeuw met steeds grotere platte vlokken naar
beneden schommelen.Wij zijn voor een lezing over middeleeuwse mystiek in een
buitenplaats op de Utrechtse Heuvelrug. Het is warm in ons lokaaltje, en de
sneeuw lijkt om ons heen te sluiten als een zijden cocon.
De lezing
gaat over de waarneembare wereld, de innerlijke en de uiterlijke. De gezichten
van de mensen tegenover mij staan aandachtig, dromerig ook. Met krachtige stem
leest de inleider iets voor: “Kom onbeduidend mens, laat je zorgen
achter en treed binnen in de innerlijke kamers van Mijn geest en overweeg jouw
God“. Anselmus van Canterbury schreef dat, bijna duizend jaar geleden, zoekend
naar een Godsbewijs in zijn eigen gedachten. Dat ontroert me.
Ineens kijken
we allemaal naar een haas, die vanuit de tuin naar ons kijkt. Alsof hij ook
meedoet. Sneeuw blijft aan zijn kop en rug plakken als hij met lange
achterpoten traag wegloopt naar de witte heuvels verderop in het park.
Daarna is de
sfeer anders, meer open. Is dit veroorzaakt door de haas, of door de
uitnodiging van Anselmus?
De
sneeuwvlokken lijken steeds sneller te dwarrelen. Ik verbeeld me dat ik de
fijne uitwaaierende ijskristallen kan zien die aan elkaar plakken. Ik probeer
de haas weer te vinden, maar veel zicht is er niet. Op dit moment is er alleen
een stil gordijn van zacht vallende sneeuw. Er zit een draaiende beweging
in de vlokken. Ik wil er in meegaan. Ik zie traag cirkelende meeuwen boven zee.
In de middeleeuwen had ik misschien echte meeuwen gezien, en ook de wijde lucht
boven me. Ik had, mijn beelden verder volgend, gevoeld hoe diep en vormeloos
het donkere water onder me is. Hoe ver zal ik gaan? Zal ik een visje opduiken?
Zal ik terugkomen in het warme lokaal? Of zoeken naar de haas
Teruggevonden
verbonden
met het drijfhout
alles is
één.
Abonneren op:
Posts (Atom)